Krop  
 

 

   

Door Benno Wauters

Van Eddy Merckx zeiden ze dat hij niet kon genieten van een overwinning, dat hij zo somber of gespannen om zich heen keek op het ereschavot waar hij de zegepalm, een gele of een regenboogtrui in ontvangst mocht nemen. De veelvraat onder de wielrenners leed al op het podium aan stress én aan een dwanggedachte: de volgende opdracht: morgen wéér winnen! Wat een kannibaal lijden kan.
Rupsje-nooit-genoeg heet het in een van de boekjes die ik mijn kinderen voor het slapengaan voorlees. Die vreet zich vol, niet voor een nieuwe zegepalm, maar in zekere zin wel voor een regenboogtrui: Rupsje-nooit-genoeg ontpopt zich jubelend tot een veelkleurige vlinder.
Niet dat ik me wil vergelijken met Eddy Merckx of met Rupsje-nooit-genoeg. Maar toch, genieten van een eerbetoon kon ik ook nauwelijks toen ik als 21-jarige de universitaire poëziewedstrijd en 20.000 frank won. Net toen zag ik het niet meer zitten als dichter, want ik was jaloers op… degene die tweede was geëindigd, dus achter mij in die wedstrijd voor would-be dichters. Wat ik wou uitdrukken, kon hij veel mooier en vooral veel béter zeggen.

‘Je bent, mijn lief,
mijn leed.’

Schreef de jongeman die met de zilveren medaille van de poëzie naar huis kon, nog steeds een van de mooiste enjambementen die ik ken. En hij schreef nog meer waarvan ik vond dat ik het had moeten neerschrijven. Maar hij was ermee weg, nog voor ik het op papier had gezet: ‘In mijn keel begon de levenslange krop.’ Dat schreef die prille twintiger mij voor. Een voorschrift waarvoor ik later zelf voorschriften moest gaan halen bij dokters en psychiaters. Metatop om te slapen, tegen ‘stemmingswisselingen’ een dagelijkse dosis Aropax en als kalmeringsmiddel Xanax. X1, x2, x3, raar dat De Morgen nog niet bij mij is langsgeweest.

Met vallen en opstaan, slikken en verbijten lukt het wel, voorlopig. Maar met die levenslange keel in de krop, door Freud al ‘Globus Hystericus’ genoemd - en als Freud je kwaal moet definiëren, dan weet je’t wel - daar heb je mee te leven, zoals anderen met drankzucht of geelzucht. Iedereen z’n eigen exces. Sporten helpt, kinderen helpen, pillen helpen, slapen helpt, al is precies dat laatste zo moeilijk voor wie aan deze kwaal lijdt.

‘Wij moeten slapen, en ook deze nacht ontwijken, / Om niet aan eigen wanhoop te bezwijken.’ Zo schreef Gerrit Achterberg, ooit mijn grote voorbeeld toen ik nog dichter dacht te moeten zijn. Maar dat heb ik overgelaten aan anderen die het preciezer konden formuleren. Zoals Leonard Nolens in ‘Krop’, één van zijn mooiste gedichten uit de bundel ‘Liefdes Verklaringen’. Dat krop-gedicht eindigt met:

“Ik ruk haar gezicht naar me toe
En lik en slik al haar tranen.
Ik eet haar zo gulzig de krop
Uit de keel dat zij snikt diep in mij.”

Uiteindelijk ben ik dus geen dichter geworden, wel een toerist. Maar dan een toerist met snikken en grimlachjes, een landloper in een wedren tegen de tijd, een landloper tegen de zandloper. Of misschien wel een toerist, maar dan met de fiets als fetisj en de taal als totempaal. Zo fiets ik in cirkels, al dan niet vicieus, en trap mij duizelig, schrijf mij bewusteloos. En zo moet ik het streng autisme ondergaan: fietsen (snel), schrijven (langzaam), de dagelijkse discipline waarmee ik overeind moet blijven, waarmee ik door het leven kan fietsen. Tot aan de finish.

 

 

 

 

 

 

Terug naar 'de renner'